|
De anatomie van het oog
Het oog > De anatomie van het oog

De anatomie van het oog

De basisprincipes van het menselijk zicht mogen dan wel redelijk eenvoudig zijn, een diepgaandere analyse toont ons dat de werkelijkheid veel complexer is. Dat komt met name door het feit dat het oog een van de meest geperfectioneerde organen van ons lichaam is.

Het oog - of de oogbol - is een holle bol die ongeveer 8 gram weegt en een diameter heeft van ongeveer 25 mm. Het oog bestaat uit 3 vliezen of oogrokken die rond een gelachtige stof, het glasachtig lichaam ge-naamd, heen zitten. De drie vliezen, die u hieronder aangeduid ziet met de cijfers 2, 3 en 4, heten de harde oogrok, het vaatvlies en het netvlies.

Hieronder vindt u een volledige anatomische doorsnede van het oog en van de verschillende onderdelen die een rol spelen bij de fundamentele taak van het oog: het licht in beelden omzetten.

Klik op de onderstaande kruisjes voor een voorstelling en een woordje uitleg over het betreffende onderdeel van het oog.

De oogspieren

De oogspieren zijn aan het ene uiteinde verbonden met de achterzijde van de oogholte en aan het an-dere uiteinde met de buitenkant van het oog. 4 rechte oogspieren zitten vast aan de boven-, onder- en zijkanten van het oog, zodat het oog opwaarts, neerwaarts en zijwaarts kan kantelen. Er zijn ook 2 schuine oogspieren, die ervoor zorgen dat u schuin naar boven of naar beneden kunt kijken.

De harde oogrok of sclera (het oogwit) vormt de buitenste laag van het oog

De harde oogrok of sclera (het oogwit) vormt de buitenste laag van het oog, waaraan de oogspieren zijn bevestigd. Het gaat om een stevig, wit, ondoorschijnend membraan, opgebouwd uit bindweefsel, waaraan de oogbol zijn stevigheid heeft te danken en dat de onderdelen binnen in het oog beschermt. Dit membraan omringt het grootste deel van de oogbol en gaat aan de voorzijde over in het hoornvlies.

Het vaatvlies of de choroidea bevindt zich aan de binnenkant van het oogwit

Het vaatvlies of de choroidea bevindt zich aan de binnenkant van het oogwit. Dit membraan, dat rijke-lijk van bloedvaten is voorzien, is onder meer verantwoordelijk voor de voeding van de staafjes en ke-geltjes in het netvlies.

Ongeveer op de plaats waar het bindweefsel overgaat in het hoornvlies, loopt het vaatvlies over in de iris, met in het midden de pupil.

De binnenkant van het oog : het netvlies

Het netvlies is een heel dun, lichtgevoelig membraan dat de binnenkant van het oog bedekt. Het net-vlies begint vanaf de plaats waar de oogzenuw de oogbol binnenkomt en eindigt daar waar het vaat-vlies overgaat in de iris.

Het netvlies bestaat uit verschillende lagen: de buitenste laag of pigmentlaag is donker door het aan-wezige pigment. Onder de pigmentlaag bevinden zich de uiteinden van de fotoreceptorcellen of lichtgevoelige cellen. Er zijn twee types: de kegeltjes - ongeveer 6 miljoen per oog - hebben licht no-dig voor hun goede werking. Ze zorgen ervoor dat we details en kleuren kunnen waarnemen. De staafjes hebben weinig licht nodig en dienen om (ruwe) contouren te onderscheiden in het donker. Het netvlies vangt het licht op en de staafjes en kegeltjes zetten de lichtprikkels om in zenuwprikkels die via de oogzenuw naar de hersenen worden gestuurd. Daar wordt het beeld uiteindelijk geïnterpreteerd.

De oogzenuw

De oogzenuw brengt de zenuwprikkels die door het netvlies worden gevormd, tot bij de hersenen. Daar wordt het beeld geïnterpreteerd. In de oogzenuw bevinden zich ongeveer een miljoen zenuwve-zels. Elke vezel kan verschillende signalen tegelijk naar de hersenen brengen. Meer dan 50 % van alle zenuwimpulsen die de hersenen bereiken, zijn afkomstig van de ogen. De plaats waar de oogzenuw vastzit aan de oogbol, wordt de blinde vlek genoemd.

De blinde vlek

De blinde vlek heeft een diameter van ongeveer 1,5 mm en bevindt zich op de plaats waar de oogze-nuw vastzit aan het oog. Op die plaats is er geen netvlies, en zijn er dus geen staafjes of kegeltjes aanwezig. Daardoor wordt het licht dat op de blinde vlek terechtkomt, niet omgezet in zenuwimpulsen en niet waargenomen. Vandaar de naam "blinde vlek".

De gele vlek of macula lutea

De gele vlek of macula lutea bevindt zich achter in het oog, in het midden van het netvlies, vlak achter de blinde vlek. Hoewel de gele vlek heel klein is, bevat ze een grote concentratie aan kegeltjes. Deze zone is dan ook de meest gevoelige zone van het netvlies. De macula laat ons toe om details scherp waar te nemen. Rond de macula bevindt zich het deel van het netvlies dat belangrijk is voor ons peri-fere zicht. In deze zone daalt het aantal kegeltjes naarmate de afstand tot de macula toeneemt.

De bloedvaten

De bloedvaten staan in voor de voeding van het oog.

Het glasachtig lichaam

Het glasachtig lichaam is een gelachtige, heldere vloeistof met een fijn membraan errond, die zich in het midden van het oog bevindt en alle onderdelen in het oog tegen de de buitenwand aandrukt.

Het straalvormig lichaam

Het straalvormig lichaam bevindt zich in de zone waar het vaatvlies overgaat in de iris. Het straalvor-mig lichaam vormt er een verdikking. In feite gaat het om een netwerk van spiertjes waarmee we de kromming van onze ooglens kunnen aanpassen om scherp te kunnen zien.

De achterste oogkamer

De achterste oogkamer scheidt kamervocht af, een heldere stof die een voedende functie heeft voor het hoornvlies, de lens en het glasachtig lichaam. Deze ruimte bevindt zich achter de iris, op de plaats waar de ooglens is opgehangen. Het kamervocht vloeit langs de ooglens en stroomt daarbij van de pupil tot aan de achterste oogkamer.

De voorste oogkamer

De voorste oogkamer is de ruimte tussen het hoornvlies en de iris. De oogspanning blijft constant doordat er permanent kamervocht wordt aangemaakt en afgevoerd.

De pupil

De pupil is een donkere opening in het midden van de iris. Het licht komt het oog binnen via de pupil. Als er veel licht is, trekt de pupil samen om het netvlies te beschermen. In donkere ruimtes zal de pupil daarentegen groter worden om zo veel mogelijk licht te absorberen.

De pupil werkt dus zoals het diafragma van een fototoestel: de diameter van de opening past zich au-tomatisch aan de waargenomen lichtintensiteit aan.

De iris

De iris is het gekleurde membraan dat opgespannen zit aan de voorkant van het oog, achter het hoornvlies. Centraal in de iris vinden we een opening: de pupil. Door de pupil groter en kleiner te doen worden, bepaalt de iris hoeveel licht er binnenvalt in het oog. Als er te veel licht is, trekt de kringspier van de iris samen en wordt de pupil kleiner. Bij geringe lichtsterkte wordt de pupil groter. De kleur van de iris wordt bepaald door het aantal pigmentcellen. Als de iris veel pigmentcellen bevat, is deze bruin van kleur. Bij weinig pigmentcellen is de iris daarentegen blauw of grijs.

Het hoornvlies

Het hoornvlies is het transparante, heldere en gebolde membraan aan de voorzijde van het oog. Een groot deel van het oppervlak absorbeert licht en weerkaatst het in de richting van de pupil. Het hoorn-vlies is verantwoordelijk voor twee derde van de totale breking van lichtstralen die naar het netvlies worden geleid. Het hoornvlies bevat veel zenuwuiteinden en is dus heel gevoelig. Door te knipperen met de ogen, komen er tranen op het hoornvlies terecht, waardoor het vlies niet uitdroogt.

De ooglens

De ooglens is een transparante en buigzame lens die juist achter de pupil is opgehangen. Samen met het hoornvlies, zorgt de ooglens ervoor dat de lichtstralen die het oog binnenkomen, worden gebun-deld en weerkaatst, zodat ze exact op het netvlies terechtkomen. Dit fenomeen heet lichtbreking of re-fractie. Aangezien de ooglens elastisch is, kan ze boller of platter worden naargelang de afstand tot het waargenomen voorwerp, en dit dankzij een interne oogspier: de accommodatiespier. Op die ma-nier worden zowel verafgelegen voorwerpen als voorwerpen die zich dichtbij bevinden, scherp waar-genomen.

BRUSSELS EYE DOCTORS, SINT-MICHIELSLAAN 12-16, 1150 BRUSSEL – TEL. + 32 2 741 69 99